Nieuws

Enquête: Governance bij KMO’s. Een betere score 4 jaar later.

In september 2011 heeft Deminor samen met de universiteit KUL campus Brussel (vroeger HUB) een ruim onderzoek verricht bij Belgische KMO’s over de toepassing van de principes van corporate governance of goed bestuur. In samenwerking met Trends-Tendances werd in maart 2015 een actualisatie van deze enquête aangevat, zij het op zeer geringe schaal. Slechts 211 KMO’s hebben een antwoord ingediend, waardoor deze oefening niet kan dienen als vergelijkingsbasis met de vorige enquête maar toch enkele nuttige resultaten heeft geleverd.

In het algemeen kan Deminor vaststellen dat er op meerdere punten van goed bestuur en governance verbeteringen merkbaar zijn.

Wij vinden het daarom nuttig om de meest interessante uitkomsten van deze beperkte enquête samen te vatten:

  • 62% van de respondenten hebben de vragenlijst in het Nederlands ingevuld, 38% in het Frans.

  • Meer dan 71% van de KMO’s die hebben deelgenomen hebben zich gedefinieerd als familiale ondernemingen.

  • Net geen 46% van de deelnemende bedrijven hebben aangegeven dat zij beschikken over schriftelijke afspraken tussen de aandeelhouders, terwijl dit percentage in 2011 zich situeerde rond 40%. Deze evolutie ligt in lijn met de inspanningen die Deminor vaststelt bij meerdere bedrijven die zij heeft mogen begeleiden om dergelijke afspraken of familiecharters voor te bereiden en uit te werken.

  • Deze aandeelhoudersafspraken bevatten voornamelijk clausules die de vrije overdracht van de aandelen van het bedrijf beperken (in 63% van de gevallen), maar wij stellen ook vast dat er een licht stijgend aantal bedrijven gekozen hebben voor een interne systeem van liquiditeit of interne verhandelbaarheid van de aandelen (12% i.p.v. 10% in 2011). Dit laatste betreft clausules die de mogelijkheid bieden aan minderheidsaandeelhouders die het wensen, om te kunnen uittreden uit het kapitaal aan vooraf bepaalde voorwaarden en modaliteiten.

  • Bijna 40% van de KMO’s verklaren een dividendbeleid bepaald te hebben, of dit nu in de vorm van een pay-out ratio is (percentage van de winst) of via een andere formule. Dit percentage lijkt een substantiële stijging t.o.v. 2011 (35%) maar moet dus nog verder onderzocht worden in een volgende grootschalige enquête.

  • Een ander thema dat de aandeelhouders aanbelangt, is de informatie die hen wordt verschaft door hun bedrijf. Bij 58% van de ondernemingen die hebben deelgenomen aan de enquête hebben aangegeven dat zij op trimestriële basis hun aandeelhouders informeren. In 2011 was dit nog slechts bij 43% van de bedrijven het geval. Wij moeten deze resultaten toch wel nuanceren want bij talrijke ondernemingen betreft dit antwoord familiale KMO’s waar de aandeelhouders bijna allemaal actief zijn in de onderneming en dus ook in die hoedanigheid toegang hebben tot periodieke informatie, en dus niet echt in hun hoedanigheid van aandeelhouder. Het blijft de vraag of ook de niet-actieve aandeelhouders toegang hebben tot periodieke informatie of dan wel slechts één keer per jaar moeten wachten tot de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering om vragen te mogen stellen.

  • Wat de informatievoorziening aan de raad van bestuur betreft, kunnen wij ook op dit domein een groter aantal bedrijven tellen die verklaren dat zij met regelmaat een kwalitatief en efficiënt reporting systeem hebben ingevoerd, een stijging van 75% in 2011 naar 79% nu. Ook dit resultaat verdient enige nuance, want Deminor heeft slechts één van de bestuurders kunnen ondervragen, met name meestal de gedelegeerd bestuurder. Het is dus niet vanzelfsprekend dat ook alle overige bestuurders deze mening delen.

  • Daarnaast zou er een minieme evolutie zijn met betrekking tot het aantal bedrijven die verklaren externe bestuurders benoemd te hebben (33% i.p.v. 30% in 2011), en ook de invoering van een adviesraad is slechts in geringe mate gestegen (16% i.p.v. 14% in 2011). Er moeten dus nog heel wat bedrijfsleiders worden overtuigd van het nut is om in een KMO externe personen te laten tussenkomen in advies- of bestuursorganen. Deminor heeft trouwens vastgesteld dat er dikwijls een oprecht bewustzijn is dat het nuttig is om een dergelijk klankbord in te voeren of een volwaardig beslissingsorgaan met externe bestuurders. Maar er zijn altijd duizend en één redenen om dringendere zaken eerst te beslissen en het thema deugdelijk bestuur uit te stellen.

  • Sommige vragen hadden enkel en alleen betrekking op familiebedrijven. Het is interessant om vast te stellen dat een stijgend aantal KMO’s bevestigd hebben dat zij voortaan criteria hebben bepaald voor de aanwerving van familieleden in het bedrijf (26% i.p.v. 20% in 2011). Daarnaast kunnen wij ook vaststellen dat familiebedrijven met familieleden die actief zijn binnen het bedrijf verklaren dat zij transparant zijn over de bezoldigingen van deze familieleden (81% t.o.v. 75% in 2011). Zou dit effectief betekenen dat dit laatste onderwerp geen taboe meer zou zijn in familiebedrijven, terwijl dit toch wel al meerdere generaties steeds het geval is geweest. Ook dit punt verdient verder onderzoek.

  • Tot slot valt het wel zeer sterk op dat wanneer de familiale KMO’s worden ondervraagd over de opvolging binnen het bedrijf, zowel op het vlak van de eigendom als van het management, nog steeds meer dan 59% van de bedrijfsleiders verklaren nog niets voorzien te hebben op datum van het beantwoorden van de vraag. Ondanks de talloze initiatieven door de overheid en veelvuldige seminaries over het onderwerp moet Deminor vaststellen dat het zeer complex blijft voor een familie om dit onderwerp intern te behandelen. Er zal steeds een uitstekende reden zijn om dit delicaat vraagstuk uit te stellen.

De beperkte enquête van maart 2015 heeft zeker en vast niet dezelfde statistische of wetenschappelijke waarde als deze van september 2011, die werd gerealiseerd in samenwerking met een academisch panel. Toch kan deze oefening dienen als nuttig observatiemiddel.

Deminor stelt trouwens in de praktijk vast dat er manifeste vorderingen zijn van het aantal ondernemingen, in het bijzonder familiebedrijven, die beslist hebben om de principes van goed bestuur te implementeren. Zelfs zonder te beschikken over deze statistieken kan Deminor deze tendens bevestigen. Sinds de eerdere studie van 4 jaar geleden heeft Deminor immers een stijgend aantal ondernemingen mogen begeleiden, in het bijzonder familiebedrijven. Telkens is de doelstelling van onze opdracht om de bedrijfsleiders, maar ook de bestuurders en de aandeelhouders bij te staan en van begin tot einde te begeleiden om tot beter bestuur te komen, waarbij de belangen worden gealigneerd en het juiste evenwicht wordt gezocht tussen alle partijen.

Aanverwante diensten

Oplossen van conflicten tussen aandeelhouders Dienst

Oplossen van conflicten tussen aandeelhouders

Governance en bescherming van aandeelhouders Dienst

Governance en bescherming van aandeelhouders

Waarderingen en financiële diensten Dienst

Waarderingen en financiële diensten