Nieuws

De Belgische private stichting en haar fiscaliteit

In onze vorige artikelen gingen Lien Verhasselt (De private stichting: (ook voor u) een interessante planningstechniek?) en Jan Baptist Cooreman (Beheer van uw vermogen via de private stichting – vermogensplanning) reeds in op de belangrijkste kenmerken van de private stichting naar Belgisch recht, en haar onderscheid met de Nederlandse stichting. In dit artikel gaan we opnieuw een stap verder en duiden we de fiscale aspecten van de Belgische private stichting. Meer precies zal de Belgische inkomstenbelasting en de gewestelijke schenkbelasting en erfbelasting relevant zijn voor de vermogensverrichtingen die plaatsvinden in het kader van een private stichting.

 

Inbreng van vermogen in de stichting

Zoals reeds geduid in onze vorige artikelen, bestaat het doel van de stichting erin om een bepaald ingebracht vermogen aan te wenden voor een (zelf gedefinieerd) belangeloos doel. Hoe en wanneer dit vermogen wordt ingebracht en wat precies het voorwerp is van de inbreng, zal bepalend zijn voor de fiscale behandeling ervan.

 

Inbreng in een stichting

Een inbreng in een stichting gebeurt per definitie ‘om niet’: dit wil zeggen dat er tegenover de inbreng geen tegenprestatie van de stichting staat (zoals dat bv. wel het geval is bij de inbreng in een vennootschap: in principe verkrijgt de inbrenger aandelen in ruil voor zijn inbreng).

Dit heeft op fiscaal vlak als gevolg dat de fiscus een inbreng gelijkstelt met een schenking indien een persoon tijdens zijn leven een inbreng doet in een stichting. Indien een persoon een inbreng doet bij zijn overlijden, en dus bij testament, dan zal de fiscus zulke inbreng gelijkstellen met een legaat. Dit alles maakt dat respectievelijk de regels van de schenkbelasting en de erfbelasting van toepassing zullen zijn op de inbreng.

 

PRINCIPES VAN DE HEFFING VAN SCHENKBELASTING

In principe dient een schenking steeds te gebeuren bij notariële akte. Vervolgens zullen notarissen hun akten ter registratie aanbieden aan het bevoegde kantoor Rechtszekerheid, waartoe zij wettelijk verplicht zijn. Na de registratie wordt de akte dan door het kantoor Rechtszekerheid aan de Vlaamse belastingdienst bezorgd, die dan de concrete schenkbelasting zal heffen.

Door de jaren heen is evenwel de praktijk ontstaan (en gedoogd) om ook schenkingen te doen buiten een notariële akte om en dus zonder langs te moeten gaan bij de notaris, waaronder de meest bekende vormen wellicht de bankgift en de handgift zijn. Vermits zulke schenking aldus zonder notariële akte kan gebeuren en in principe niet ter registratie wordt aangeboden, is het dus mogelijk om een bankgift of een handgift te doen zonder daarop schenkbelasting te betalen.

De keerzijde van deze manier van schenken houdt in dat er alsnog erfbelasting zal moeten betaald worden op de schenking indien de schenker binnen de drie jaar na de schenking overlijdt. Dit neemt natuurlijk niet weg dat een begiftigde nog steeds zelf vrijwillig een schenking ter registratie kan aanbieden. Dit zal een begiftigde doorgaans doen indien het overlijden van de schenker binnen de drie jaar na de schenking in zekere mate voorzienbaar was, bv. door ziekte, om zo toch nog van de schenkbelasting te kunnen genieten in plaats van de (vaak hogere) erfbelasting.

Inbreng bij leven

De oprichter kan ervoor kiezen, wat trouwens doorgaans het geval zal zijn, om meteen bij de oprichting een bepaald vermogen in te brengen in de stichting. Vermits de oprichting van een stichting bij notariële akte dient te gebeuren en de notaris verplicht is om al zijn akten ter registratie aan te bieden, zal deze inbreng belast worden met schenkbelasting aan een vlak gunsttarief van 5,5% (tenzij de inbrenger zelf een vzw is of een private stichting, in welk geval enkel een vast recht van €100 verschuldigd is).

Het is dus mogelijk om vermogen in de stichting in te brengen bij de oprichting ervan, maar het is even goed mogelijk om een inbreng te doen na de oprichting of in een reeds bestaande stichting. Gebeurt zulke latere inbreng via een notariële akte, dan zal opnieuw dezelfde schenkbelasting als hierboven verschuldigd zijn. Gebeurt dat niet, bv. door middel van een handgift of een bankgift, dan is er geen schenkbelasting verschuldigd op deze inbreng. In dat geval zal de stichting bij overlijden van de schenker binnen de drie jaar na de schenking uiteraard alsnog erfbelasting moeten betalen.

Hierbij dient zeker nog te worden vermeld dat indien er Belgische onroerende goederen zouden worden ingebracht op een later moment, dit steeds via notariële akte zal moeten gebeuren, wat noodzakelijkerwijs de heffing van schenkbelasting op die inbreng met zich zal meebrengen.

Inbreng bij testament

De inbrenger kan er ook voor kiezen om de stichting bij testament op te richten en een inbreng te doen, in welk geval een vlak tarief van 8,5% erfbelasting zal verschuldigd zijn op de inbreng die aan de stichting door het testament wordt toegewezen. Een testamentaire inbreng in een reeds bestaande stichting ondergaat dezelfde fiscale gevolgen.

 

Gedurende het bestaan van de stichting

Wat betreft de fiscale behandeling van de stichting zelf hangt veel af van de aard van de activiteiten van de stichting: stelt de stichting winstgevende verrichtingen of beperkt zij zich louter tot het beheer van haar vermogen?

Indien de stichting in uitvoering van haar belangeloos doel winstgevende activiteiten verricht, dan zal zij in principe onderhevig zijn aan de vennootschapsbelasting. Indien de stichting zich louter beperkt tot het beheer van haar vermogen, zal zij in principe onderworpen zijn aan de (meer voordelige) rechtspersonenbelasting. Dit zal uiteraard steeds afhangen van de concrete activiteiten, wat geval per geval moet worden beoordeeld.

Wat betreft uitkeringen die de stichting doet tijdens haar bestaan, is het alvast zeer duidelijk dat de stichting principieel geen vermogensvoordeel mag uitkeren aan ‘de stichter, de bestuurders of enig ander persoon’, tenzij in uitvoering van het belangeloos doel van de stichting. Dit mag er natuurlijk niet toe leiden dat het belangeloos doel zo wordt geformuleerd dat de uitkeringen eigenlijk een zuivere vermogensoverdracht zijn van de stichter aan zijn erfgenamen om zo schenk- of erfbelasting te omzeilen. Dit maakt dat uit de oprichtingsakte zal moeten blijken dat het werkelijk de bedoeling is om een belangeloos doel na te streven, dat de uitkeringen ook strikt kaderen binnen de verwezenlijking van dat doel en dat het bestuur van de stichting handelt naar eigen inzichten en niet op instructie van de statuten. Het is de fiscus die hier de grenzen zal bewaken.

Verder werd er ook een patrimoniumtaks in het leven geroepen ter compensatie van de gederfde erfbelasting: vermits een stichting niet kan overlijden en in theorie generaties lang kan blijven bestaan, mist de fiscus telkens ‘per generatie’ erfbelasting op het ingebrachte vermogen. Deze taks bedraagt 0,17% en wordt telkens per 1 januari gerekend over het gehele vermogen van de stichting. Indien de stichting een vermogen van niet meer dan 25.000 EUR heeft, is zij echter vrijgesteld van deze patrimoniumtaks

 

Bij de ontbinding van de stichting

Een stichting kan om diverse redenen ontbonden worden. De mogelijkheid bestaat dat er bij ontbinding van de stichting nog een bepaald (soms omvangrijk) vermogen aanwezig is. De vraag is dan aan wie dit vermogen toekomt en hoe de fiscus zulke ‘verdeling’ behandelt.

In principe zullen de statuten van de stichting bepalen wat er met het eventueel resterende vermogen dient te gebeuren bij ontbinding van de stichting. Hierbij bestaat de mogelijkheid – maar enkel onder strikte wettelijke voorwaarden – dat de statuten bepalen dat het vermogen in zulk geval terug naar de oprichter vloeit of naar zijn erfgenamen. Zulke statutaire bepaling is niet ondenkbaar indien het belangeloos doel de verzorging van een kind met een beperking omvat en dit kind zou overlijden.

Mocht het resterende vermogen terugkeren naar de oprichter, dan zal dat in principe belastingvrij zijn. Indien het resterende vermogen wordt uitgekeerd aan de erfgenamen van de oprichter, dan zal er in principe erfbelasting moeten betaald worden volgens de toepasselijke tarieven in functie van de verwantschap tussen de oprichter en de erfgenamen.

 

Conclusie

Een erg belangrijk aspect van de private stichting als instrument van vermogensplanning is dat de oprichter of inbrenger in principe volledig afstand doet van zijn vermogen ter verwezenlijking van een belangeloos doel. Het is dus niet bedoeld als middel om een vermogen gecontroleerd over te dragen naar de erfgenamen.

Of de betrokken stichting aan de ene kant dan wel aan de andere kant van die grens ligt tussen beide doelstellingen, zal afhangen van het gekozen belangeloos doel. Net daar zit de eventuele fiscale onzekerheid. Dit doel zal in de praktijk immers de toetssteen zijn voor de fiscus om te bepalen of er op de gedane uitkeringen alsnog een schenk- of erfbelasting dient betaald te worden door de ontvanger ervan.

Indien het werkelijk de intentie is om een belangeloos doel na te streven, kan zowel de inbreng als de daaropvolgende uitkering – afhankelijk van de werkwijze en het vermogen – op  een fiscaal vriendelijke manier gebeuren.

Bent u zelf geïnteresseerd in de stichting of in andere technieken in het kader van uw vermogensplanning? Neem gerust contact op met Maxime Poppe voor een vrijblijvend gesprek.

Aanverwante diensten

Oplossen van conflicten tussen aandeelhouders Dienst

Oplossen van conflicten tussen aandeelhouders

Governance en bescherming van aandeelhouders Dienst

Governance en bescherming van aandeelhouders

Waarderingen en financiële diensten Dienst

Waarderingen en financiële diensten